De juridische ziel van mijn digitale kloon: wat mag wel, wat mag niet?

maandag, 29 december 2026 (15:47) - Marketingfacts

In dit artikel:

Digitale kloonpraktijken zijn geen verre toekomstmuziek meer: experimenten zoals de auteur’s eigen “AImke” bestaan al, en roepen in Nederland en de EU directe juridische en ethische vragen op. Centraal staat dat niet alleen de techniek telt, maar vooral herkenbaarheid. Een synthetisch gezicht dat duidelijk op een bekende persoon of journalist lijkt, valt doorgaans onder het portretrecht (art. 19–21 Auteurswet). Ook Europees spelen het recht op privéleven en gegevensbescherming (art. 8 EVRM; art. 7–8 EU-Handvest) mee: herkenbare AI-beelden worden steeds vaker als persoonsgegevens gezien.

Wie mag beslissen over zo’n digital human? Werkgevers krijgen gebruiksrechten wanneer een kloon binnen een functie is ontwikkeld, maar die macht is niet absoluut. Arbeidsovereenkomsten of aanvullende afspraken kunnen gebruiksgebied, duur en kanalen regelen. Toch kan een betrokkene zich later verzetten als nieuw gebruik haar redelijke belangen schaadt (bijvoorbeeld reputatieschade of beëindigd dienstverband). Rechtbanken kunnen te vergaande afspraken ongeldig verklaren vanwege machtsongelijkheid.

Aansprakelijkheid ligt in de praktijk primair bij de publicerende partij (werkgever, uitgever). Persoonlijke aansprakelijkheid van de geportretteerde is uitzonderlijk en komt vooral in beeld bij doelbewuste betrokkenheid: als iemand de indruk wekt zelf achter de uitingen te zitten, scripts activeert of schadelijke uitingen bewust tolereert. Daarom is contractuele helderheid over wie traint, beslist over prompts, doet eindredactie en publiceert essentieel.

AI zelf kan juridisch geen auteur zijn; auteursrecht vereist menselijke creatieve keuzes. Makers zijn designers, developers en creatieven die uiterlijk, mimiek, scripts en persona bepalen. Zo ontstaat een driedeling van rechten: mediabedrijf (assetrechten), techleverancier (technologie) en journalist (identiteit/portret/stem). Alleen contracten kunnen dit ordenen. Meestal is een digital human auteursrechtelijk beschermd zolang mensen wezenlijke keuzes maakten; volledig autonome generaties blijven juridisch grijs maar zijn zeldzaam.

Ongeautoriseerde kloons kunnen juridisch bestreden worden via portret- en privacyrecht, auteursrecht en onrechtmatige daad; in ernstige gevallen is strafrecht mogelijk. De aankomende AI Act verlangt transparantie: herkenbare synthetische content moet gelabeld en technisch traceerbaar zijn (machineleesbare watermerken, logging, beleid).

Ethische richtlijnen worden benadrukt: geen postume exploitatie zonder toestemming, geen politieke boodschappen via digitale journalisten, en altijd transparantie bij hyperrealistische presentatoren. Conclusie: veel regels bestonden al en worden nu op digital humans toegepast — een digitale kloon is juridisch en moreel een verlengstuk van de echte persoon en verdient stevige bescherming.